Author Archives: admin33

Door Clémence Leijten.
In het eerste verhaaltje van het prentenboek Meisje Bloem wordt Meisje Bloem voor gesteld: Ze heet Bloem, Meisje Bloem. Misschien heet ze ook wel Anne, of Alice, of Aagje, maar iedereen noemt haar Bloem. “Bloem” noemt haar vader haar omdat ze werd geboren op de eerste dag van de lente. “Wordt maar een mooie bloem”, zei hij.  (1. Meisje Bloem) Er wordt ook verteld wat Meisje Bloem bezighoudt. Meisje Bloem heeft altijd iets te denken. Dat zie je aan haar ogen. Dan kijkt ze in de verte. Als haar ogen donker worden, is ze boos. Haar ogen zijn ook wel eens nat, dan is Meisje Bloem verdrietig. En soms zijn de gaatjes in haar ogen groot, dan is ze bang. Maar meestal glimmen haar ogen, dan is Meisje Bloem blij. “Bloem heeft sprekende ogen zeggen mensen. Dat zeg je als je vindt dat ogen iets vertellen. De ogen van Meisje Bloem vertellen wat ze denkt in haar hoofd en wat ze voelt in haar buik. Wie denkt oordeelt. Daarom vind ik Meisje Bloem een mooi rijk kind. Ik vind mensen die niet oordelen namelijk makkelijke mensen. Het zijn mensen die een status -quo handhaven. De status-quo is de toestand waarin iets zich bevindt. Die status-quo kan fnuikend zijn, maar omdat iemand “niet oordeelt”, komt er geen afkeurende uitspraak. Anderzijds: de status-quo kan ook inspirerend zijn, maar dat wordt niet opgemerkt als iemand niet oordeelt. Er komt dan geen goedkeurende uitspraak; er komt geen compliment. Een wereld zonder oordeel is in mijn oordeel: armoe.

Read more

Door Joris Leijten.
In een mooie recensie van ons nieuwe boek “Ben je boos pluk een roos…” van Biblion (Bibliotheekcentrale) staat een zin met een mooi begrip. Ik citeer:
 “
De verhaaltjes zijn in eenvoudige, vriendelijke stijl geschreven en zijn bedoeld om voor te lezen en samen te bespreken, met reflectievragen voor ouder en kind. ”

Een ‘vriendelijke stijl’ wordt hier gezegd. En daar ben ik heel blij mee. In het woord vriendelijk zit het woord “vriend”. Onze stijl van schrijven wordt beschouwd als een vriend; wij zijn een vriend ten opzichte van de mensen die onze tekst lezen. En dat willen we graag. Want een vriend is een gelijke, een vriend is iemand die je graag ziet. In tegenstelling tot iemand die een preek houdt, waar sprake is van een ongelijke positie van iemand die weet wat goed en niet goed is en een ander die dat niet weet en moet worden onderwezen. Een preker willen wij niet zijn, want er zijn veel meningen en die kunnen naast elkaar bestaan. Maar we vinden het wel fijn als die meningen worden uitgewisseld vandaar ons praatverhaal met in het boek de aantekening dat “het ontbreken een zogenaamd juist antwoord voorkomt dat het gesprek een leeractiviteit wordt, die moet leiden naar die ene ‘goede úitkomst.”
Wij maken géén leer-boeken.

Read more

Door Clémence Leijten. 
Meisje Bloem vindt tussen de dozen op zolder een dooie muis. Zijn velletje is verdroogd. Hij is een beetje ingedeukt. ‘Hij is dood’, zegt Meisje Bloem, ‘hij is helemaal stijf.’ Meisje Bloem denkt dat de muis verdwaald was. Ze zegt: ‘Het was donker en de muis kon de weg naar huis niet meer vinden. En hij had helemaal geen eten. En hij had ook dorst. En niemand kon hem helpen.’ Meisje Bloem neemt de dooie muis in haar handen. Ze aait het kopje. De muis is koud. (6. De dooie muis) Dood is voor kinderen als Meisje Bloem op zich niet zo erg. Want een muis kun je nooit eens op je gemak bekijken. Maar als hij dood is, ligt hij stil. Je kunt zijn velletje voelen en de pootjes. Je kunt voelen, dat hij koud is en stijf. Uit sprookjes weten ze, dat ook mensen dood gaan. Alhoewel kinderen de neiging hebben de dood te beschouwen als iets wat straks weer over zal zijn, omdat je immers ook in hun spel en in een sprookje dood kunt zijn en dan weer levend, zijn ze bang om het verlaten worden, dat de dood met zich meebrengt.

Read more

Door Joris Leijten
Afgelopen zaterdag 27 april vierden we de verjaardag van Koning Willem – Alexander op Koningsdag. Het is onze Nationale Feestdag. In alle plaatsen in Nederland zijn vrijmarkten en traditionele kinderspelen als koekhappen, spijkerpoepen, sjoelen en ringsteken. Dat is typisch Nederlands. Overal hangen vlaggen met oranje wimpels uit en zijn mensen in het rood- wit- blauw en oranje gekleed, Oranjebitter en ranja, Oranjegebak en tompoezen.

Meisje Bloem vindt op zolder een postzegelalbum. Meisje Bloem speelt dat ze een brief is, waarop ze een postzegel moet plakken; een brief naar haar oma.  

Read more

Door Clémence Leijten.

Meisje Bloem ziet op zolder een lieveheersbeestje. Meisje Bloem zegt:
‘Het lieveheersbeestje moet naar buiten.
Meisje Bloem bedenkt een plan: ik maak het dakraam open. Meisje Bloem zegt dan tegen het líeveheersbeestje: ‘Stap maar op mijn arm. Dat doet het lieve heersbeestje en dan loopt Meisje Bloem met hem naar het open raam. ‘Springen’, zegt ze, ‘maar pas op je knietjes.’ (42. Het dakraam) Meisje Bloem behoedt het beestje zelfs voor kapotte knieën. Je zou haar een bemoeial kunnen vinden, want ze bemoeit zich met alles. Een lieveheersbeestje zal zelf wel weten, wat hij moet doen, toch?
En dat blijkt. Meisje Bloem staat voor het raam te wachten tot hij springt. ’Durf je niet?’ vraagt ze. Meisje Bloem geeft het lieveheersbeestje een zetje.
Het lieveheersbeestje springt niet, maar hij maakt van zijn rode jas twee vleugels. Nu kan hij vliegen. Hij vliegt naar buiten. Zie je wel het lieveheersbeestje, heeft zijn eigen oplossing! Haar raad was niet nodig geweest. Maar ik op mijn beurt zeg: ‘Okay het lieveheersbeestje bedacht zélf dat het kon vliegen, maar als Meisje Bloem niet de moeite had genomen om het raam open te zetten, zat hij nu nog op die donkere zolder, zonder eten.

Read more

Door: Joris Leijten
Als ik dit schrijf is het nog ‘Volwassen Boekenweek’ met het thema “Bij ons in de Familie” (tot 24 maart).  Je ziet op televisie auteurs praten over hun boeken in relatie met hun familie. Ik krijg ook regelmatig vragen of wij inspiratie gehaald hebben uit onze familie voor Meisje Bloem en andere boeken. In alle hoofdrolspelers zit iets van ons  auteurs. Dat is vertrouwd en herkenbaar voor ons. Madame Poubelle is ijverig, een praktische dame die graag mogelijkheden ziet in spullen die ze vindt in prullenbakken. Meneer Boek is gedreven en vastbijtend en ziet de connecties tussen feesten en situaties die hij mee maakt. Meisje Bloem is een denkertje, een onderzoeker in de dop. Net als Meisje Bloem kunnen wij,  auteurs, diep mijmeren en denken.

Read more

Door Clémence Leijten
Meisje Bloem vindt een grote zakdoek. Meisje Bloem doet de zakdoek over haar hoofd. Ben je verdrietig, Bloem? Meisje Bloem zegt: ‘Ik ben niet verdrietig, ik ben boos. Ik wil niemand meer zien!’ Meisje Bloem haar ogen zijn pikzwart. ’Ik vind het niet eerlijk’, zegt ze, ‘ík mocht niet meedoen van Lara.’ Meisje Bloem schop tegen een doos. Ze stampt op de grond. Ze schreeuwt: ‘Lara is stom.’ (40. De zakdoek) Boosheid is een gevoel. Meisje Bloem zegt over boos: ‘Boos is als het draait in je hoofd, omdat je vindt, dat het niet waar is wat ze zeggen.’ Meisje Bloem zegt: ‘Als je boos bent wil je dat die ander zegt: “Ik heb me vergist.” ’
Voelen is een beweging ervaren, weet ik uit de psychologie. Als ik voel, ervaar ik ergens een beweging in mijzelf. Ik ga zitten op de stoel van de psycholoog en mijmer over boos zijn.

Read more

Door: Joris Leijten
Elke keer als ik een roos zie, heb ik daar verschillende associaties bij. Het is een prachtige bloem, symbool voor de liefde en trouw. Dat is vreemd omdat een roos ook een stekelige bloem is met al haar doornen die gemeen prikken. Ook komt steeds in mij op het kinderrijmpje “Ben je boos pluk een roos…”   Meisje Bloem zegt boos:Mijn vader werkt. Mijn moeder werkt. Ze kunnen niet bij mij zijn.’ Meisje Bloem zegt: ‘Ik ben boos op mijn vader. Ik ben boos op mijn moeder. Ze gaan altijd werken.’ Meisje Bloem denkt aan opa, die werkte niet. ‘Kom, Bloem, niet boos zijn’, zegt opa. Meisje Bloem krijgt een zoen. Maar dat helpt niet. Meisje Bloem pakt een doos. In de doos ligt een hoed. Meisje Bloem doet de hoed op. Opa zegt: Ben je boos, pluk een roos, zet hem op je hoed, dan ben je morgen weer goed.’ ‘Morgen pas weer goed!’ zegt Meisje Bloem, ‘dus dan mag ik vandáág boos blijven.’ (26. De Hoed)  Als Meisje Bloem leerde ik dat kinderrijmpje, op een moment dat ik boos was, van mijn moeder. Het is een traditie om volkswaarheden in kinderrijmpjes door te geven van ouder op kind. Het zijn kinderrijmpjes die al honderden en honderden jaren oud zijn en geen auteur kennen. Ze zijn gegroeid en aangepast en hebben een levensles, zo ontdekte ik. 

Read more

Door Clémence Leijten.
Als Meisje Bloem op zolder is, hoort ze de harde wind. Ze is bang. ‘Straks waait misschien het dak er af’, zegt ze. ‘Hoe kan ik dat stoppen?’ Meisje Bloem denkt aan een huis zonder dak waar je zomaar naar binnen kunt kijken. Ze zegt: ‘Zonder het dak waaien de lakens van mijn bed.’ De gaatjes in haar ogen zijn groot. Meisje Bloem denkt diep na. ‘Er moet iets gebeuren’, zegt ze. Wat doet Meisje Bloem; wat vindt zij afdoende? Naast Meisje Bloem ligt een bol touw. ‘Ik weet wat’, zegt ze. Meisje Bloem windt het touwtje van de bol. Ze bindt het touwtje om een spijker in het dakraam. En dan neemt ze het andere eind van het touwtje mee naar de stoelpoot en knoopt het daar vast. ‘Zo’ zegt, ze, ‘nu kan er niks meer gebeuren.’ (4. Het touwtje) Het touwtje stelt haar gerust. Oei, Meisje Bloem zullen ze daar op de Technische Universiteit, blij mee zijn? Gaat dat werken? Volgens Meisje Bloem wél. Het is haar persoonlijke mening.

Read more

Door Joris Leijten.
Meisje Bloem gaat uit van haar eigen ervaringen en gedachten bij de voorwerpen die ze vindt.
De ervaringen maken haar concluderende stellingen zo, uniek en bijzonder. Na de vraag: “Maar Bloem, wat is dat dan? En de constatering
“Meisje Bloem denkt na over …” volgt een korte beschrijving van het thema van wat ze heeft meegemaakt in het verhaaltje. 
Een voorbeeld: Maar Bloem, wat is dat dan, dromen? Meisje Bloem denkt na over dromen. Meisje Bloem zegt: ‘Dromen is als je niet meer zelf hoeft te denken. Je gaat vanzelf op reis.’ Meisje Bloem zegt: ‘Soms is het niet leuk. Dan moet je wakker worden en even gaan plassen. En als het wél leuk is, dan lig je lekker tevreden in je bed te lachen.’ (38. De deken)

Read more

50/201