Bloemetje 132. Lief en lepel.
Door: Joris Leijten.
Meisje Bloem vindt op haar zolder allemaal voor haar bekende gewone voorwerpen: brieven, vlieger, verrekijker, hoed, lepel enzovoorts. Voorwerpen waar ze wat van weet en die ze kan gebruiken voor haar kinderspel. Ze kan nog iets met de voorwerpen; iets anders dan waar de voorwerpen oorspronkelijk voor bedoeld zijn: iets bedenken in haar fantasie. Een uitzondering is een steen met tekening. Deze steen interesseert haar en dat correcte wetenschappelijke verhaal wil ze graag delen. ‘Dat is niet getekend door een mens’, zegt Meisje Bloem, ‘dat is een afdruk van een dier, of een tak van heel lang geleden.’
Bloemetje 131. Een schoolbord zonder krijtjes.
Door Clémence Leijten.
Meisje Bloem reageert op meneer en mevrouw Jansen. Zij is op zolder. Meneer en mevrouw Jansen zijn beneden. Mama heeft geroepen dat ze moet komen om meneer en mevrouw Jansen een handje te geven. Meisje Bloem zegt: ‘Ik ga niet naar beneden.’ Meisje Bloem haalt haar neus op. Meisje Bloem zegt: ‘Meneer en mevrouw Jansen praten alleen met mijn vader en moeder.’ Ze zegt:’ Meneer en mevrouw Jansen vragen nooit hoe ik heet. Meneer en mevrouw Jansen vragen nooit wat ik leuk vind. Meneer en mevrouw Jansen vragen nooit wat ik denk.’ Meisje Bloem zegt: ‘Meneer en mevrouw Jansen denken dat ik een stoel ben. Met een stoel hoef je niet te praten.’ (37. De stoel.) Meneer en mevrouw Jansen horen tot de mensen die kinderen negeren. Meisje Bloem ziet haarscherp wat dat voor mensen zijn. Meisje Bloem zegt: ‘Een mens is iemand. Je hebt grote mensen en kinderen.’ Meisje Bloem zegt: ’Ik denk dat meneer en mevrouw Jansen alleen van grote mensen houden.
’ Ik gruw van die “grote” mensen.
Bloemetje 130. “Bloemetjes buiten zetten”.
Door: Joris Leijten
Het is zomervakantie! Een periode dat we het even anders kunnen doen dan we normaal doen. We hoeven niet meer op een vaste tijd op en kunnen later naar bed gaan. En opstaan zonder wekker; we hoeven niet naar school of naar het werk. We hebben meer tijd om leuke dingen te doen en ergens naar toe te gaan op vakantie, zomerkampen, dagexcursies en festivals. Hopelijk is het in deze zomer mooi zonnig en warm weer om naar buiten te gaan. Vroeger was de zomer een periode dat kinderen werkten op het akkerland. Dan was het druk bij de boer en moesten ze helpen. Nu mag dat niet meer en zijn kinderen acht weken echt vrij voor het komende schooljaar in september. Energie op doen en uitrusten.
Bloemetje 129. Een blokje eraf.
Door Clémence Leijten.
Meisje Bloem vindt een doos blokken op zolder. Meisje Bloem zegt: ‘Daar kan ik een stad mee bouwen.’ Meisje bloem pakt een lang blok, een klein blok, en nog een lang blok, en een driehoek. Meisje Bloem zegt: ‘Ik maak een huis.’ Meisje Bloem maakt een huis, en nog een. En ze maakt een straat. En nog een straat met ook huizen.’ (51. De blokkendoos) Ze bouwt haar stad – haar wereld – óp. Het wordt steeds mooier. Ze gaat er vanuit dat “meer” beter wordt, nóg meer huizen, nóg meer straten. Altijd iets erbij. Ik herken dat: ook: ik bouw graag op. Opeens door een uitspraak die ik dit weekeinde hoorde, realiseer ik me dat je er steeds een schep boven op kunt doen, maar dat je er óók een schep vanaf kunt halen.
Bloemetje 128. Oranje feestje.
Door: Joris Leijten
Meisje Bloem houdt van leuke feestjes.
Ze organiseert zelfs in haar eentje een extra verjaardagsfeestje op haar zolder compleet met slingers en een roltong en heeft veel plezier. Meisje Bloem is jarig vandaag. Hoe kan ik zien dat je jarig bent, Bloem? Meisje Bloem zegt: ‘ We moeten nog versieren.’ Meisje Bloem pakt de doos met de slingers. Ze maakt de slingers vast aan de zolder en ze steekt een papieren bloem in haar haar [..]
In de doos met feestspulletjes ligt een roltong. Meisje Bloem zegt: ‘Leuk, een roltong, die heb ik altijd al willen hebben’
Ze stopt de roltong in haar mond en blaast een hele lange tong met een hele lange pieeeeeeeeeeep … ‘Nu is het echt feest’, zegt ze.
Bloemetje 127. Makkelijke mensen.
Door Clémence Leijten.
In het eerste verhaaltje van het prentenboek Meisje Bloem wordt Meisje Bloem voor gesteld: Ze heet Bloem, Meisje Bloem. Misschien heet ze ook wel Anne, of Alice, of Aagje, maar iedereen noemt haar Bloem. “Bloem” noemt haar vader haar omdat ze werd geboren op de eerste dag van de lente. “Wordt maar een mooie bloem”, zei hij. (1. Meisje Bloem) Er wordt ook verteld wat Meisje Bloem bezighoudt. Meisje Bloem heeft altijd iets te denken. Dat zie je aan haar ogen. Dan kijkt ze in de verte. Als haar ogen donker worden, is ze boos. Haar ogen zijn ook wel eens nat, dan is Meisje Bloem verdrietig. En soms zijn de gaatjes in haar ogen groot, dan is ze bang. Maar meestal glimmen haar ogen, dan is Meisje Bloem blij. “Bloem heeft sprekende ogen zeggen mensen. Dat zeg je als je vindt dat ogen iets vertellen. De ogen van Meisje Bloem vertellen wat ze denkt in haar hoofd en wat ze voelt in haar buik. Wie denkt oordeelt. Daarom vind ik Meisje Bloem een mooi rijk kind. Ik vind mensen die niet oordelen namelijk makkelijke mensen. Het zijn mensen die een status -quo handhaven. De status-quo is de toestand waarin iets zich bevindt. Die status-quo kan fnuikend zijn, maar omdat iemand “niet oordeelt”, komt er geen afkeurende uitspraak. Anderzijds: de status-quo kan ook inspirerend zijn, maar dat wordt niet opgemerkt als iemand niet oordeelt. Er komt dan geen goedkeurende uitspraak; er komt geen compliment. Een wereld zonder oordeel is in mijn oordeel: armoe.
Bloemetje 126. Vriendelijk.
Door Joris Leijten.
In een mooie recensie van ons nieuwe boek “Ben je boos pluk een roos…” van Biblion (Bibliotheekcentrale) staat een zin met een mooi begrip. Ik citeer:
“De verhaaltjes zijn in eenvoudige, vriendelijke stijl geschreven en zijn bedoeld om voor te lezen en samen te bespreken, met reflectievragen voor ouder en kind. ”
Een ‘vriendelijke stijl’ wordt hier gezegd. En daar ben ik heel blij mee. In het woord vriendelijk zit het woord “vriend”. Onze stijl van schrijven wordt beschouwd als een vriend; wij zijn een vriend ten opzichte van de mensen die onze tekst lezen. En dat willen we graag. Want een vriend is een gelijke, een vriend is iemand die je graag ziet. In tegenstelling tot iemand die een preek houdt, waar sprake is van een ongelijke positie van iemand die weet wat goed en niet goed is en een ander die dat niet weet en moet worden onderwezen. Een preker willen wij niet zijn, want er zijn veel meningen en die kunnen naast elkaar bestaan. Maar we vinden het wel fijn als die meningen worden uitgewisseld vandaar ons praatverhaal met in het boek de aantekening dat “het ontbreken een zogenaamd juist antwoord voorkomt dat het gesprek een leeractiviteit wordt, die moet leiden naar die ene ‘goede úitkomst.”
Wij maken géén leer-boeken.
Bloemetje 125. Waarom?
Door Clémence Leijten.
Meisje Bloem vindt tussen de dozen op zolder een dooie muis. Zijn velletje is verdroogd. Hij is een beetje ingedeukt. ‘Hij is dood’, zegt Meisje Bloem, ‘hij is helemaal stijf.’ Meisje Bloem denkt dat de muis verdwaald was. Ze zegt: ‘Het was donker en de muis kon de weg naar huis niet meer vinden. En hij had helemaal geen eten. En hij had ook dorst. En niemand kon hem helpen.’ Meisje Bloem neemt de dooie muis in haar handen. Ze aait het kopje. De muis is koud. (6. De dooie muis) Dood is voor kinderen als Meisje Bloem op zich niet zo erg. Want een muis kun je nooit eens op je gemak bekijken. Maar als hij dood is, ligt hij stil. Je kunt zijn velletje voelen en de pootjes. Je kunt voelen, dat hij koud is en stijf. Uit sprookjes weten ze, dat ook mensen dood gaan. Alhoewel kinderen de neiging hebben de dood te beschouwen als iets wat straks weer over zal zijn, omdat je immers ook in hun spel en in een sprookje dood kunt zijn en dan weer levend, zijn ze bang om het verlaten worden, dat de dood met zich meebrengt.
Bloemetje 124. Oranje verbindt.
Door Joris Leijten
Afgelopen zaterdag 27 april vierden we de verjaardag van Koning Willem – Alexander op Koningsdag. Het is onze Nationale Feestdag. In alle plaatsen in Nederland zijn vrijmarkten en traditionele kinderspelen als koekhappen, spijkerpoepen, sjoelen en ringsteken. Dat is typisch Nederlands. Overal hangen vlaggen met oranje wimpels uit en zijn mensen in het rood- wit- blauw en oranje gekleed, Oranjebitter en ranja, Oranjegebak en tompoezen.
Meisje Bloem vindt op zolder een postzegelalbum. Meisje Bloem speelt dat ze een brief is, waarop ze een postzegel moet plakken; een brief naar haar oma.
Bloemetje 123. “Bemoei je met jezelf”.
Door Clémence Leijten.
Meisje Bloem ziet op zolder een lieveheersbeestje. Meisje Bloem zegt:
‘Het lieveheersbeestje moet naar buiten. Meisje Bloem bedenkt een plan: ik maak het dakraam open. Meisje Bloem zegt dan tegen het líeveheersbeestje: ‘Stap maar op mijn arm. Dat doet het lieve heersbeestje en dan loopt Meisje Bloem met hem naar het open raam. ‘Springen’, zegt ze, ‘maar pas op je knietjes.’ (42. Het dakraam) Meisje Bloem behoedt het beestje zelfs voor kapotte knieën. Je zou haar een bemoeial kunnen vinden, want ze bemoeit zich met alles. Een lieveheersbeestje zal zelf wel weten, wat hij moet doen, toch?
En dat blijkt. Meisje Bloem staat voor het raam te wachten tot hij springt. ’Durf je niet?’ vraagt ze. Meisje Bloem geeft het lieveheersbeestje een zetje.
Het lieveheersbeestje springt niet, maar hij maakt van zijn rode jas twee vleugels. Nu kan hij vliegen. Hij vliegt naar buiten. Zie je wel het lieveheersbeestje, heeft zijn eigen oplossing! Haar raad was niet nodig geweest. Maar ik op mijn beurt zeg: ‘Okay het lieveheersbeestje bedacht zélf dat het kon vliegen, maar als Meisje Bloem niet de moeite had genomen om het raam open te zetten, zat hij nu nog op die donkere zolder, zonder eten.

