Bloemetje 25. Seksualiteit

Door Clémence Leijten.

Meisje Bloem vindt een stapeltje brieven met een lint erom. Het zijn brieven van Joop voor Klaartje. ‘Dat zijn namen’, zegt Meisje Bloem. Meisje Bloem zegt: ‘Joop wil met Klaartje trouwen.’ Op een dag schrijft hij een mooie brief aan haar. Dat ze mooie haren heeft, en mooie ogen. Dat ze lief is. Dat hij een mooi huis heeft, en hij vraagt of ze bij hem komt wonen. Hij heeft ook een lieve hond. ‘Klaartje vindt honden leuk’, zegt Meisje Bloem, ‘Klaartje houdt van honden. Dus gaat Klaartje met Joop trouwen net als in een sprookje. En ze leefden nog lang en gelukkig (7. De brieven).’ Dat Klaartje omwille van de hond met Joop trouwt, is een beleven van een kind. Meisje Bloem wil zelf graag een hondje, dus lijkt het hebben van een hond haar een goed argument om te trouwen. Meisje Bloem weet wel wat trouwen is: ‘Trouwen is dat je belooft dat je altijd bij elkaar zult blijven en dat je voor elkaar zult zorgen.’ Meisje Bloem kijkt naar haar pop, ze zegt: ‘Ik wil wel altijd voor mijn vriend zorgen, maar dan moet mijn vriend ook altijd zorgen voor mij (7. De brieven).’

Lees meer:


Bloemetje 24. Koekoek

Door Clémence Leijten.

Meisje Bloem springt steeds, omdat ze alles leuk vindt vandaag. “Meisje Bloem springt twee stapjes naar voren en dan twee stapjes opzij. Ze zwaait met haar armen. En dan staat Meisje Bloem opeens op haar handen. ‘Ik ben een beetje koekoek’, zegt ze. Meisje Bloem zegt: ‘Ik ben een beetje koekoek omdat ik morgen een hondje krijg! (48. Geen doos)’ Ik kende het woord “koekoek” als de naam van een vogel; niet als bijvoeglijk naamwoord. Meisje Bloem licht het woord toe. Meisje Bloem zegt een beetje koekoek ben ik als ik gek doe. Mijn moeder roept dan: “Hé Bloem, KOEKOEK! Meisje Bloem zegt: ‘Als ik een beetje koekoek ben dan moet ik springen en dan kriebelt het in mijn buik. Dan kan ik niet stoppen (48. Geen doos).’ In wat de moeder van Meisje Bloem zegt, hoor ik de verzuchting: ‘Alsjeblieft Bloem, doe eens even normaal.’ Voor de moeder van Meisje Bloem is het koekoek-doen iets irritants, iets slaps. De schrijfster Aletha Solter geeft in haar boek Het ongedwongen kind¹ een andere, verrassende verklaring voor dat jolige gedrag van kinderen op zulke momenten een verklaring, waarin het dollen, het koekoek doen, een teken is van sterkte.

Lees meer:


Bloemetje 23. Nieuwe Normaal

Door: Joris Leijten

 We hebben het in deze tijd over het zogenaamde “Nieuwe Normaal”. Na een intense periode van een virus moeten we ons aanpassen aan een mogelijke nieuwe situatie met afstand houden, omkijken en veel schoonmaken. De vraag is of het nieuwe normaal ook een leukere wereld is ?  Voor Joleijt is “Een leukere wereld:  een wereld waar men open is, gelijkwaardig bent, met zorg voor elkaar, creativiteit, passie voor de goede zaak staat én met het gevoel dat je alleen gemotiveerd leert.  Nu we bijvoorbeeld zo’n fundamentele nieuwe houding kunnen aannemen in de wereld van het nieuwe normaal, kunnen we tegelijkertijd ook andere keuzes maken. De keuze om je eigen wereld te verduurzamen met minder haast en winst bejag. Iedereen kan zijn eigen wereld leuker maken met zijn eigen moraal want de meeste mensen deugen. 

Lees meer:


Bloemetje 22. Hoop.

Door: Clémence Leijten.

Meisje Bloem vindt op zolder een doos. Hij is helemaal leeg. ‘In de doos zat misschien een schat’, zegt ze, ‘die schat is gestolen door een piraat.’ Dat denkt ze maar de doos is leeg. Meisje Bloem pakt de doos en zet die op haar hoofd, Meisje Bloem zegt: ‘Van een lege doos kun je hoed maken.’ Meisje Bloem knipt vier gaatjes in de doos. Ze zegt: ‘En nu is de doos een masker.’ (32. De lege doos.) Van een lege doos kun je van alles maken. Nieuwe schoenen in zo’n stevige witte schoenendoos werden in ons gezin altijd aangegrepen om een kijkdoos te maken. Herman Vuijsje beschrijft dat fenomeen in een column die hij “De stad als kijkdoos” noemde[i]. Hij schrijft: “Het maken van zo’n doos verliep volgens strakke regels. Het vloeipapier dat als plafond diende, móést bijvoorbeeld geel zijn. Dan kreeg je binnen in de doos het licht van een achternamiddag in december.” Hij beschrijft het interieur: “[..] de bodem bedekten we steevast met een laag watten. Uit die witte wade rees een kerkje omhoog, geknipt uit zo’n kitscherige kerstkaart, met zilveren randjes erom heen. Verder een koe met een bel, een mannetje en een vrouwtje, een huisje met een schoorsteen waaruit rook kwam kringelen.” Dat klopt, dat deden wij precies zo. Je mocht kijken door een luikje in de korte kant van de doos, als je een knikker betaalde.

Lees meer: