Door Clémence Leijten.
Steeds weer opnieuw trekt Meisje Bloem zich in zichzelf, terug. Boven in het huis van Meisje Bloem is een zolder. Daar gaat ze graag naar toe. Mag dat van je vader en moeder, Bloem? Meisje Bloem zegt: ‘Ja dat vinden ze goed.’ Meisje Bloem wijst om haar heen. Er staan allemaal dozen met spulletjes. ‘Die spulletjes liggen te wachten’, zegt ze. ‘Over die spulletjes denk ik na.’ Meisje Bloem zegt: ‘Het is leuk op zolder, maar soms wel een beetje eng.’ Meisje Bloem zegt: ‘De zolder is mijn liefste plek in ons huis. Ik ben er vaak.’ Ze zegt: ´Ik ben daar helemaal alleen. Ik kan op zolder doen wat ik wil.’ (2. De dozen) Meisje Bloem mag daar zijn van haar ouders en ze weten dat ze daar is, maar weten ze ook wat ze daar beleeft? Ik denk het niet. Uit mijn eigen kind ervaring weet ik, dat er een wereld was waarover ik niets zei. Tegen niemand.
Ik las gister een roman, waarin twee volwassenen opzoek gaan naar de oorzaak van een dood jongetje. Ze trokken dagelijks met hem op en praatten met hem.
Zij dachten dat ze hem goed kenden. Maar dat blijkt helemaal niet zo te zijn.
Er was een wereld in hem die zij niet kenden. Ėén van de twee volwassenen, een vrouw, herkent dat. Ze zegt: “Het is een wijdverbreide opvatting dat kinderen een open boek zijn, dat de waarheid omtrent hun diepste wezen op hun gezicht te lezen staat. Dat is niet zo. Er is niemand zo geheimzinnig als een kind, en er is niemand die er meer behoefte aan heeft om dat te zijn. Als antwoord op een wereld die voortdurend met een blikopener komt om hen te openen en te zien hoe ze er van binnen uitzien., om de inhoud eventueel te vervangen door gangbaarder conserven.” ¹ Wat een stelling is dat! En ik denk dat die klopt! Ik kon dagdromen als de beste en ik wist dat ze, als ik iets vertelde, zouden zeggen: ‘ dat is niet zo’.
Ik beleefde lief en leed. In die dromen was ik zelfs getrouwd en had ik kinderen.
Ik genoot van die dromen, soms ging ik expres vroeg naar huis om in mijn eigen kamertje of in de wc, te dromen hoe het afliep. Omdat ik het niemand vertelde, pakte niemand mij die dromen af.
De vrouw uit mijn roman wist waar ze over sprak. Ze was opgevoed op een kostschool, vertelt ze. Er was geen privacy op een slaapzaal; op een kostschool is überhaupt geen privacy. Daarom werd de behoefte aan privacy verdrongen. Maar ze zegt, dat die behoefte aan privacy daar, veranderde in de behoefte aan de schuilplaats, aan de geheime ruimte. Mist Meisje Bloem beneden bij haar ouders, privacy? Trekt ze zich daarom terug op zolder? Maar als Meisje Bloem zoekt naar privacy op die zolder, waarom weten wij lezers van het prentenboek, dan wat ze daar doet en wat ze denkt?
Waarom? Ik vraag haar niet met een blikopener haar innerlijk leven te openen, ik wil haar denkwereld, anders dan opvoeders, niet vervangen door de mijne: zij had dat verhaal niet hoeven vertellen. Ik kan maar één ding bedenken, dat Meisje Bloem dit boek zelf heeft geschreven, toen ze ouder was, omdat ze verdriet had.
En dat bewijs vind ik in verhaaltje 1, waarin ze schrijft, dat sommige mensen Meisje Bloem “eigenwijs” vinden en daarmee bedoelen zij, dat Meisje Bloem, haar eigen weg gaat.
Maar Bloem, wat is dat dan, eigen weg? Meisje Bloem denkt na over eigen weg. Meisje Bloem zegt: ‘Eigen weg is als je wilt slapen met je hoofd op de plek van je voeten.’ Meisje Bloem zegt: ‘Eigen weg is als je denkt: ik ben Bloem, zo wil ik het doen.’(1. Meisje Bloem) Ik kan niet aan de gedachte ontkomen, dat Meisje Bloem toch pijn heeft van dat woord “eigenwijs”, want zonder twijfel: dat woord “eigenwijs” is grimmig gezegd. Dat ze met haar boek zich verdedigt. Dat zij met haar onthullingen ‘die’ mensen vraagt naar haar te luisteren, haar te begrijpen. Zij is met haar onthullingen uit op respect. Bij mij overtuigt dat omdat ik weet, wat Meisje Bloem bedoelt. Ik was zo’n “eigenwijs” meisje dat respect ontbeerde.
- Peter Hoeg (1992) Smilla’s gevoel voor sneeuw. Rainbow Pocketboek 321, uitgeverij Maarten Muntinga bv. Amsterdam.