Door Joris Leijten.
Naar aanleiding van het vorige Bloemetje 170. “Behoefte aan geheimen” van Clémence Leijten hadden zij en ik een goed gesprek. Ik ben het met Clémence eens dat kinderen behoefte aan geheimen hebben, maar wat is de reden? Is de reden dat kinderen zich niet uiten omdat volwassenen hen toch niet begrijpen?
Een behoefte aan privacy misschien? Meisje Bloem zal zeker niet alle geheimen op de zolder delen met de lezer in het prentenboek Meisje Bloem. Er staan 52 verhaaltjes in het prentenboek en Meisje Bloem zal vaker op de zolder spelen. Belangrijker is voor mij, dat ze de ‘veiligheid’ ervaart om de geheimen te uiten. Door het denken op haar zolder in haar eentje heeft ze bijzondere bespiegelingen in haar verhaaltjes. Deze kan ze voor zichzelf houden als geheimen, maar ze wil ze juist uiten. Het voelt voor haar veilig om ze in de wereld te publiceren in een prentenboek. Voor mij is ‘veilig voelen’ het fundament waarop zij haar verhaaltjes met ons deelt en ik zei tegen Clémence: ‘Het is veilig voor haar op de zolder, zodat ze haar geheimen met ons kan delen.’
Voor mij zijn er twee verschillende vormen van veiligheid: fysieke en psychische.
Fysieke veiligheid, daarmee bedoel ik de veiligheid die Meisje Bloem om haar heen ziet. Voor Meisje Bloem is de zolder van haar huis, een veilige warme plek. Zo’n plek kan ook een eigen slaapkamer of hut buiten in de tuin zijn waar kinderen zich meestal veilig voelen met hun geheimen en fantasie en kunnen spelen wat ze willen. In het prentenboek heeft Meisje Bloem het niet over haar slaapkamer of hut in de tuin, voor haar is dat de zolder. Een fysieke veilige ruimte wordt beschikbaar gesteld door de ouders of zelf gecreëerd door het kind met of zonder toestemming van de ouders. De ouders van Meisje Bloem slaan wel spullen op de zolder op, die Meisje Bloem weer mag gebruikt voor haar fantasie.
In het prentenboek creëert ze zelf nog een extra veilige ruimte binnen de zolder.
Meisje Bloem vindt op zolder een paraplu: Het wordt opeens donker op zolder en de wolk boven haar hoofd is pikzwart. ‘Er komt onweer’, roept ze. Flits… donderebom, flts…. Donderebom. Dan begint het te regenen. Te regenen! ‘Ik heb een paraplu’, zegt Meisje Bloem, ‘ons kan niks gebeuren. Wij gaan schuilen.’ Meisje Bloem en de pop zitten onder de paraplu
De pop is bang. Meisje Bloem zegt tegen de pop: ‘Er komt altijd weer zon.’ Meisje Bloem en de pop blijven geduldig schuilen tot de zon gaat schijnen. Maar Meisje Bloem wat is dat dan schuilen. ‘Schuilen is dat je je verbergt voor iets dat je bang maakt. Er kan dan niets meer gebeuren.’ Meisje Bloem zegt: ‘Maar als mijn vader bij mij is, hoef ik niet bang te zijn… (24. De paraplu) Voor mij, volwassene met ook het kind in mij, is de fysieke veiligheid ook een belangrijk fundament om mooi en creatief te werken. Mijn appartement in Nijmegen, een bureau met radio aan op de achtergrond en een lekker kop koffie en een broodje, zijn fysieke omstandigheden om mij veilig te voelen en vrij en te schrijven en te denken wat ik wil. Evenals een warm bed om uit te rusten en te dromen.
Psychische veiligheid. Daarmee bedoel ik de veiligheid die Meisje Bloem in zichzelf ervaart. Die houding wordt gemakkelijk gemaakt door de opvoeding van haar ouders die haar de ruimte geven om zich te uiten. Ze heeft van haar ouders de vrijheid gekregen om zich te uiten. Meisje Bloem ontleent aan de psychische veiligheid op zolder vrijheid, vrijheid om haar fantasie te uiten, ermee te spelen en haar verhalen met ons te delen. Ze gebruikt haar creativiteit en fantasie om tot een eigen conclusie te komen. Waar deze fantasie op gebaseerd is, weten we niet. Maar ze voelt de veiligheid dat ze haar fantasie mag inzetten en gebruiken.
Meisje Bloem heeft vertrouwen in zichzelf; zelfvertrouwen! “Bloem heeft sprekende ogen” zeggen de mensen. Dat zeg je, als je vindt dat ogen iets vertellen. De ogen van Meisje Bloem vertellen wat ze denkt in haar hoofd en wat ze voelt in haar buik. Meisje Bloem is lief. En Meisje Bloem is sterk. “Meisje Bloem is eigenwijs” zeggen sommige mensen. En daarmee bedoelen zij dat Meisje Bloem haar eigen weg gaat. En dat is waar. Maar Bloem, wat is dat dan, eigen weg? Meisje Bloem denkt na over eigen weg. Meisje Bloem zegt: ‘Eigen weg is al je wilt slapen met je hoofd op de plek van je voeten.’ Meisje Bloem zegt: ‘Eigen weg is als je denkt: ik ben Bloem, zo wil ik het doen.’ (1. Meisje Bloem). Als ik psychologisch veilig ben, kan ik veel zeggen. Omdat mijn handelen dan vanuit een diep innerlijk vertrouwen in mijzelf komt vanuit een goeie relatie tot de ander. In de verhaaltjes uit Meisje Bloem zich op verschillende manieren door te praten met pop, te praten met lezer, in gesprek met zichzelf om haar gedachten te ordenen en antwoorden te geven op de vragen die ze zichzelf stelt.
De vrouw die Clémence in haar Bloemetje 170 citeert en zegt dat kinderen als geen ander geheimen hebben, is iemand die is opgevoed op een kostschool. Er was geen privacy, dat wil zeggen geen mogelijkheid zichzelf te zijn. Daarom werd de behoefte aan privacy verdrongen. Maar de vrouw zegt, dat die behoefte aan privacy daar, veranderde in de behoefte aan de schuilplaats, aan de geheime ruimte. Meisje Bloem heeft behoefte aan een plek waar ze zichzelf kan zijn, ziet Clémence in het prentenboek en ze vraagt zich af hoe dat komt. “Mist Meisje Bloem beneden bij haar ouders, privacy? Trekt ze zich daarom terug op zolder?” (Bloemetje 170. Behoefte aan geheimen.) Ik wil die vraag beantwoordde: ‘Meisje Bloem voelt zich juist veilig. Omdat haar ouders haar de ruimte geven om naar de zolder te gaan om daar te denken.’ De vrouw in de roman van Clémence had géén veilige fysieke plaats om zich terug te trekken in de kostschool; het regime in de kostschool was zo hard en koud en kil dat ze niet de vrijheid voelde om haar fantasie te uiten. De ouders van Meisje Bloem zijn warm en lief; de zolder is een heerlijke plek door haar ouders gefaciliteerd!
Bloemetje 171. Veiligheid.