Door Clémence Leijten.
Op de zolder staat een spiegel. Meisje Bloem kijkt in de spiegel. ‘Wat zie je Bloem? ‘Ik zie een mooi meisje’, zegt ze. Meisje Bloem kijkt naar zichzelf van achteren en van voren. ‘Leuk ben ik’, zegt ze. Meisje Bloem praat tegen Meisje Bloem in de spiegel. Ze zegt: ‘Jij bent een mooi meisje, Bloem, en je bent ook lief.’ Meisje Bloem denkt aan de buurman en tante Bet en de meester van school die zeggen dat Meisje Bloem pas lief is als Meisje Bloem doet wat zij zeggen. Meisje Bloem zegt: ‘Ik ben ook lief als ik doe, wat ik zelf graag wil.’ (18. De spiegel) Meisje Bloem houdt van zichzelf ondanks de kritiek van de buurman, tante Bet en de meester. Knap vind ik dat van Meisje Bloem. Het lukt mij niet onvoorwaardelijk te vertrouwen op mezelf en het lukt mij niet onvoorwaardelijk te houden van mezelf. Ik niet, maar Meisje Bloem is vrij in haar doen en laten.
Vrij zijn, voor jezelf opkomen, voor je eigen mening uitkomen, onafhankelijk zijn. Uitgangspunt hierbij is dat je verantwoordelijk bent voor je eigen gedrag, dat je zelf bepaalt, wat je goed of slecht vindt en dat je je hierbij niet laat beïnvloeden door wat anderen van je denken. Dat heb ik van huis uit niet geleerd. Immers ik moest doen wat mijn ouders goed vonden. Ik moest doen wat de baas zei. Ik moest doen wat iedereen doet, meenden deze mensen. Dat was zeventig jaar geleden gewoon. Maar het gebeurt nog. Op een partijtje ontmoet ik een jonge vrouw. Zij gebruikt het woord “zeiken” als zij praat over haar afhankelijkheid van anderen “Zeiken” is plassen: mensen plassen over je heen als ze zeiken, dat wil zeggen dat zij op jou reageren alleen vanuit hun eigen behoefte. Ze zei: “Ik word afgezeken door mijn ouders dat ik mijn kind fatsoen moet leren. Ik word afgezeken door mijn baas dat de productiecijfers te laag zijn, de omzet omhoog moet. Door de mensen om mij heen dat ik niet dag en nacht klaar sta voor elk wisse wasje.”
“Zeiken” is een heel lelijk woord, maar het woord is heel sterk. Ik proef in dat woord haar boosheid op haar ouders; op haar baas, op de mensen in haar omgeving, die haar maar van alles ordonneren. Dat woord “zeiken” brengt in mij over: met welk recht doen die mensen dat? Ik proef in dat woord “zeiken” de verontwaardiging van haar, haar woede, maar ik beluister in haar niet de notie dat zij zelf het heft in eigen hand zou kunnen nemen, want dat kan wel en zouden zij en ik van Meisje Bloem kunnen leren. Meisje Bloem reflecteert in het verhaal “De spiegel” over mensen die haar ongevraagd dicteren: Meisje Bloem denkt: als alle mensen eens lief zouden zijn voor mij… maar dat gebeurt niet; niet alle mensen zijn lief voor mij. Ze zegt: ’Maar ik kan lieve mensen wel verzinnen.’ Meisje Bloem verzint een hele lieve tante Bet met een krul in haar neus en glimlichtjes in haar ogen. En ze spelen de hele middag fijn. Tante Bet zegt als ze naar huis gaat: “Bloem, je bent een lief meisje”. Maar wat is dan “lief” Meisje Bloem? Ben je dan niet aan het pleasen, waarmee je jezelf toch verliest? Meisje Bloem denkt na over lief. Meisje Bloem zegt: ‘Iemand is lief, als ik van binnen voel dat iemand aardig is.’ Okay dat is een antwoord: als ik voel dat iemand of iets aardig is, dan komt wat de ander doet ten goede aan mij. Dan voel ik mij niet afgezeken. Dan heb ik er wat aan. Dan wil ik er meer van. Vandaar nu mijn vraag aan Meisje Bloem: Kun je ‘lief’ groter maken? Meisje Bloem zegt: ‘Lief kan ik groter maken als ik alleen kijk naar wat leuk is in andere mensen.’
Dank je wel Meisje Bloem, daar heb ik wat aan: dan mopper ik niet op die mensen, dan kijk ik niet lijdzaam toe hoe anderen over mij heersen; dan pak ik de regie op van mijn leven, voel me vrij en vergroot de liefde om me heen door te kijken wat leuk is in die ander. Als ik me dat eigen maak, dan kijk ik binnenkort in de spiegel en zeg ik misschien ook vol vertrouwen net als jij: ‘Leuk ben ik!’