Door Clémence Leijten
Meisje Bloem vindt een doos met een hele grote lepel. Ze denkt dat de lepel, een
lepel is van de mensen van de Bibelebonse berg. Ze zegt: ‘Op de Bibelebonse berg wonen
Bibelebonse mensen en die Bibelebonse mensen hebben Bibelebonse kinderen en de Bibelebonse kinderen eten Bibelebonse pap, met een Bibelebonse lepel, uit een Bibelelebonse nap.’ ‘Ik weet dat een nap een kom is’, zegt ze. ‘Maar waar kan ik de Bibelebonse berg vinden.’ Meisje Bloem pakt een trapje en kijkt naar buiten. Ze ziet alleen maar daken en geen bergen. ‘Hier zijn geen bergen’, zegt ze, ’de Bibelebonseberg is in een ver land.’ Meisje Bloem zou graag in dat land willen wonen. (12. De lepel) Ik ken dat rijmpje van mijn oma.
Je moest dat rijmpje heel vaak achter elkaar zeggen en steeds sneller. En dan struikelde je over de zinnen en dan moest je lachen, want op een gegeven moment kwam je in de knoop.
(Het opschrijven zojuist kostte mij weer dezelfde moeite! Ha, ha….)
Maar Meisje Bloem wat is dat dan, Bibelebonse berg? Meisje Bloem denkt na over de Bibelebonse berg. Meisje Bloem zegt: ‘De Bibelebonse berg is een berg waar alle mensen eten hebben. De mensen eten de hele dag pap en zo zoveel als ze willen. Lekkere pap met wel honderd scheppen suiker er in.’ Meisje Bloem zegt: ‘Het is er nooit naar, het is er altijd leuk.’ Een soort luilekkerland dus en zo’n land is altijd ver weg en je kunt het niet bereiken.
Je kunt luilekkerland niet bereiken, maar je kunt wel op zoek gaan naar luilekkerland. En dat die zoektocht nooit voor niets is, bewijst voor mij het kinderboek O, wat mooi is Panama.¹ Kleine Beer en kleine Tijger wonen in een vriendelijk huisje en zijn voorzien van alles wat hun hartje begeert. Maar op een dag vindt kleine Beer een kist. Hij ruikt aan de kist. De kist ruikt naar bananen. Op de kist staat geschreven “Pa-na-ma”. Kleine Beer houdt van bananen. Hij zegt: “De kist komt uit Panama, en Panama ruikt naar bananen. Aaaah, Panama. Dat is
het land van mijn dromen.” Hij zei toen tegen de kleine Tijger: “In Panama is alles veel mooier. Panama ruikt van onder tot boven naar bananen. Panama is het land van onze dromen, Tijger. Wij moeten meteen morgen naar Panama, vind je ook Tijger.” Dat vindt kleine Tijger ook. En dan begint hun zoektocht.
Ze vragen de weg, steeds aan een ander dier in het bos. Die weten ook niet waar precies Panama ligt. Ze wijzen steeds naar links. Wat gebeurt er als je loopt en je steeds links afslaat……? Juist: dan kom je uit op de plek waar je bent vertrokken.
Dat gebeurt ook in het boek van kleine Beer en kleine Tijger en zo ontdekken ze hun eigen huis, dat ze een prachtige plek vinden om te wonen. “Het kleine huis bij het bosje vonden ze nu het mooiste plekje van de wereld. ‘O Tijger’, zei de kleine Beer iedere dag, ‘wat is het toch goed dat we Panama gevonden hebben, vind je niet?’ ‘Ja ‘zei kleine Tijger,’ het land van onze dromen. Nu hoeven we nooit meer weg te gaan.’ ”
De schrijver van het boek gaat dan in gesprek met ons. Hij zegt: “Nu denk jij natuurlijk dat ze dan net zo goed thuis hadden kunnen blijven. Jij denkt dat die hele tocht voor niets is geweest.’’ En dan antwoordt hij: “O nee, hoor. Want dan hadden ze de vos nooit ontmoet en ook de kraai niet. Dan hadden ze nooit bij de haas en de egel gelogeerd en nooit geweten hoe heerlijk zo’n grote, zachte pluchen bank is.’’
En dat is de conclusie van het boek die mij zo aanspreekt. Daarom zeg ik tegen Meisje Bloem: ‘Ga maar op zoek naar de Bibelebonse berg en ontdek de wereld!
Dan is thuiskomen met al die ervaring heerlijk en wordt jouw thuis leuker nog!’
En dan leer ik van Meisje Bloem dat ik niet voor die ervaring een reis hoeft te boeken met het vliegtuig of de trein, maar kan gaan naar de zolder van mijn huis waar allemaal dozen met spullen staan!
- Janosch (1978) Oh wie schön ist Panama, uitgave Beltz Verlag, Weinheim und
Basel. In het Nederlands vertaald door Maydo van Marwijk Kooy (2001),
O, wat mooi is Panama! uitgave Lemniscaat Rotterdam.