Door Clémence Leijten
Meisje Bloem vindt op zolder een doos met blokken. Daar wil ze een stad van bouwen. Meisje Bloem pakt een lang blok, en een klein blok, en nog een lang blok, en een driehoek. Meisje Bloem zegt: ‘Ik maak een huis.’ Meisje Bloem maakt nog een huis, en nog een. En ze maakt een straat. En nog een straat met ook huizen. Een stemmetje in haar zegt: bouw een muur om de stad heen, omdat dat veilig zou zijn. Meisje Bloem schudt haar hoofd. Ze zegt: ‘ Nee, ik wil geen muur om de stad.’ Meisje Bloem zegt: ‘
Ik wil uit de stad kunnen lopen. Ik wil de wereld zien.’ Meisje Bloem zegt: ‘En ik wil dat alle mensen bij mij op bezoek komen.’ Meisje Bloem zegt: ‘
Ik vind het leuk als Erik, mijn neefje, komt logeren.’ (51. De blokkendoos)
Meisje Bloem heeft, wat je noemt “maatschappelijk engagement”:
Meisje Bloem is begaan met andere mensen; voelt zich met hen verbonden. Zij voelt zich aan andere mensen gelijkwaardig. Wie andere mensen als niet gelijkwaardig beschouwt, maakt een onverdraagzame samenleving. Omdat onverdraagzaamheid en discriminatie niet biologisch, maar cultureel bepaald zijn, moet Meisje Bloem dat maatschappelijk engagement ergens hebben geleerd. ¹
Deze week las ik in de krant, hoe een activist in iemand naar boven kwam. De man kreeg de vraag of zijn maatschappelijk engagement terugging op zijn jeugd, of dat dat pas later is gekomen. Dat vond de man een lastige vraag. Hij weet in ieder geval dat hij nooit tegen onrecht heeft gekund.
Op zijn basisschool zat in zijn klas een geestelijk minderbegaafd jongetje. De man speelde met dat jongetje, omdat hij vond dat hij er ook bij hoorde. Op een gegeven moment pakten de klasgenootjes de bril van de jongen af en gooiden die weg. “Ik ben toen boven op een van die jongens gaan zitten, ik was vrij groot en stevig, en heb diens hoofd hard tegen een tegel geslagen. Dat was niet fraai, maar mijn boosheid over dat onrecht was zo intens. Dat heb ik nog steeds: als ik op straat onrecht zie, wil ik me er mee bemoeien. Ik voel ook altijd sympathie voor immigranten en vluchtelingen. Mensen zouden zich eens moeten afvragen, hoe het is aan de andere kant te zitten. Dat doe ik automatisch.”
Blijft de vraag waar de man dat heeft geleerd? Hij denkt zelf dat hij dat geleerd heeft toen hij, 5 jaar oud, vanwege de gezondheid van zijn vader, van Den Haag naar de Achterhoek moest verhuizen. ‘Die moeten we hier niet’, was de houding. “Ik werd een soort immigrant in eigen land.
Ik was een lief, blond jochie, maar had wel een Haagse tongval. Van het Achterhoeks bakte ik niks. Bovendien kwam ik op een protestant- christelijke school terecht, terwijl ons gezin katholiek was. Dus werd ik buitengesloten. Toen ik voor een verjaardag twaalf jongens uitnodigde, kwam er eentje opdagen…” Ik voel wat de jongen voelde, omdat ik als jonge vrouw uit de Randstad zonder god, trouwde in een oer katholieke Brabantse familie. Ik was daar een immigrant, zo voelde ik mij.²
“Mensen zouden zich eens moeten afvragen, hoe het is aan de andere kant te zitten.” Die zin uit het citaat blijft in mij doorwerken. Dat had het advies moeten zijn aan mijn schoonfamilie destijds. Mijn levenservaring heeft mij in middels geleerd dat mensen een feilloos gevoel hebben voor het ‘anders zijn van anderen’. De andere huidskleur, kleding, leefwijze of religie van de immigrant wordt bekritiseerd, maar in werkelijkheid gaat het om de vrees voor een aanslag op de eigen identiteit en de eigen als “normaal” ervaren normen en waarden.
Kinderen zijn veel beter in het accepteren van ‘anders zijn’ omdat zij nog niet zo cultuurbepaald zijn. Daarom luister ik graag naar Meisje Bloem; put hoop uit haar, voor een verdraagzame toekomst.
- Prof. Dr. Hans Galjaard (1994) Alle mensen zijn ongelijk.
De verschillen en overeenkomsten tussen mensen: hun erfelijke aanleg, gezondheid, gedrag en prestaties. uitgave Maarten Muntinga bv, Amsterdam in samenwerking met uitgeverij Balans, Amsterdam. - Fokke Obbema. Het Ideaal van Marcel Belt, oprichter van Marcel’s Green Soap. De Volkskrant, vrijdag 2 oktober 2026.